Heidegger Zijn en Tijd

  • Published on
    18-Feb-2015

  • View
    119

  • Download
    5

Transcript

Zin van zijn, hoezo? De vraag van het zin van het zijnde berhaupt. De vraag die heidegger ziet als de grote metafysische of ontologische (zijn is metafysisch) vraag. Zijn onderwerp, zijn, aan Aristoteles. De metafysica van Aristoteles zijnde als zijnde, de klassieke ontologische vraag. Het zijn heel in het algemeen. Zijnde berhaupt. Zijn van het zijnde. De vraag naar de zin van het zijnde berhaupt. Geen enkel zijnde uitgezonderd. De grote metafysische, of ontologische vraag. Gekoppeld aan het project van Aristoteles. Onderwerp is het zijnde als zijnde. In het boek metafysica. Onderscheid tussen verschillende zijnden. Heidegger gaat alleen praten over het zijnde dat de mens is. Het gaat over de mens en de reden waarom hij het zijnde mens, of menselijk leven neemt, of dasein, is omdat dit zijn getypeerd wordt door begrijpen van zijn, zijnsverstand. Handig om aan te knopen van een zijnde die verstand hebben van zijn. dan kom je misschien wel tot het zijn van het zijnde in het algemeen. Grote vraag, zijnde als zijnde berhaupt, die vraag verdwijnt van het toneel, tot de laatste paragraaf: hypothese. Een kleine hypothese. Bevestigd en hoe bevestigd. Dat H in die kwestie een beslissing nemen: zijn en zijnden mag je niet door elkaar halen. Zijnden zijn dingen, ook goden soms. Als ze iets zijn dan zijn het zijnden. (beings) en het zijn dat is iets anders. Ontologische differentie. Het ontologische verschil. Het verschil zijn en zijnden. Zijn het zijn van een zijnde, maar het is niet zelf een zijnde. Menselijk wezen: inventaris: ogen mond neus vlees bloed. Inhoud van de mens. Wat is menselijk leven. Dan heb je niet over een inhoud maar een gebeuren. Iets dat tot stand komt. Een oorspronkelijkheid: telkens anders. Niet een vaste inhoud of identiteit. Leven heeft met identificatie te maken. Het gebeuren van identiteit. Activiteit. Een gebeuren. Zijnde, met in houd, optelsom van eigenschappen. Maar dan heb je het niet over het zijn van het zijnde. Het zijn ervan is het gebeuren van het zijnde. Waar die identiteit beweegt en eigenlijk geen identiteit is. Zijn is meer relatie, niet tot iets (god), maar relatie tot zijn. zijn relatie tot zijn. ik sta in relatie tot iets. identificatie. En het zijnde zelf. Hypothese is Wat is de vraag naar de zin van zijn, de vraag naar de e zin van zijnde berhaupt -> inzoomen, zin van zijnde mens. Dan gaat het niet om wat is de identiteit van de mens. Een relatieding, een relatiewijzen. De mens heeft zijn en heeft zijn in de wijze van de mens. Paragraaf 18. Hoe Heidegger verder gaat met In de wereld zijn. Het grote onderwerp van het eerste deel van het boek. In de wereld zijn uitwerken op specifiek punt. Stap 1: Hoe gaan we om met de dingen die ons ter handen staan. Stap 2: Omgaan van de mens met de dingen die ter hand staan, vastmaken/terugkoppelen aan iets anders. Tweede instantie. Twee stappen. Twee dingen komen pas in 18, als twee stappen, op het toneel. Omdat we nu 2 dingen krijgen, heeft heidegger een probleem, hoe vormen ze een geheel. Ganzheit. Het zijnde dat ter hand staat: de dingen die ik gebruik. Contrasteert met wat voorhanden is, nl wat ik tot voorwerp maak in een theorie, beschouwen

objectiveren kennen. Praktijk/theorie. Doet zich binnen de wereld voor. Wereld is misleidend, wereld is niet optelsom. Maar wereld is eigenlijk zelf transcendent. Hoezo. Hou dat even vast. Het zijn van dit zijnde, [dat ter hand staat] Het ter hand staan. Zijnde is een hamer, en het zijn van het zijnde is het ter hand staan, een bruikbaar ding. Dat het een bruikbaar ding is. staat daarom in de een of andere ontologische relatie tot de wereld en tot het wereld-karakter. Ik ga er mee om, maar ik kan er mee omgaan, umgang, praxis. Ik kan er mee omgaan doordat ik zn relatie met hebben tot de wereld van het timmeren. Als ik die hamer niet zou vrijgeven op de wereld van het timmeren, zou de hamer geen hamer zijn. Wil ik mij tot die hamer verhouden in een praktijk, moet ik die hamer kunnen vrijheven op de wereld van het timmeren, of die hamer zijn wereld laten hebben. De hamer ligt voor mij, maar de wereld van het timmeren, daar kan je geen foto van maken. Is geen ding. Die wereld is transcendent ten opzichte van het ding, de hamer. Ik laat die hamer transcenderen op zijn zijn. nl. dat het behoort tot de wereld van het timmeren. Dat die hamer daar zijn zin krijgt! Ik moet dat doen, als mens. De hamer zonder mij is stukje ijzer, stukje hout. Iemand die kan timmeren zegt, ah een hamer! Heeft het zijn van die hamer begrepen, heeft die hamer zijn ontologische relatie tot de wereld laten hebben. Want ontologische betekend gewoon zijnsverstaan. ik versta het zijn van die hamer en ik laat hem zijn zin hebben door het in relatie te stellen tot het wereld van het timmeren. Daarom zegt Heidegger: in alles wat ter hands staat is wereld altijd al aan de orde. Trein->reizen, trouwring->huwelijken. Zolang er sprake van omgang met iets. maar als ik iets objectieveer dan maak ik er een tot een stukje ijzer en houdt, geen relatie tot de wereld. Wonderlijk vreemd ding. Met alles dat zich voor doet, wordt wereld a priori reeds opgemerkt. Die wereld is altijd al daar. Ik kan de hamer niet zien als behorend tot de wereld van het timmeren. Zonder dat je er bij stil hoeft te staan. Het kan echter ook zo zijn dat de wereld pas voor het eerst oplicht wanneer je in specifieke zin omgaat met de wereld die je omgeeft. Het is wereld tegen de achtergrond waarvan dat wat ter hand staat ter hand staat. Het zijnde dat zich binnen een wereld voordoet, is voor de orintatie, waardoor het ervoor zorgen dat zich laat leiden, voor het in aanmerking nemen, in zijn zijn vrijgegeven. We hebben een zijnde, en dit zijnde dit is, iets dat behoort to mijn praxis. Nu heb ik een orientatie. Eigenlijk heb ik ook een klauwhamer nodig. Maar ik kijk naar de hamer in een bepaalde umzicht, belangstellen. Spijkers uit muren trekken. Gewoonste zaak van de wereld. Thema niet bijzonder, maar ontologie uithalen. Zijnde is voor orintatie vrijgegeven, de orintatie waardoor het ervoorzorgendat (bezorgen) zich laat leiden. Ervoorzorgendat spijkers uit de muur komen. Of van hier naar arnhem met trein komen. Dasein staat in verhouding tot praxis (ervoorzorgendat) en dan komt daar een zekere orientatie bij. Plus differentiatie en daarop heb ik het voorhandende vrijgegeven in zijn zijn. vrijgeven is jargon. Hier staat heel onschuldig het woordje vrij. Je sluit de hamer niet op in slechts ijzer en hout. Zodat de hamer hamer kan

zijn. je laat die hamer de wereld hebben. Transcenderen op de wereld van het timmeren toe. Vrij is bij heidegger transcendentie. Vrijgeven op. Kenmerk: zodra het gaat op vrijgeven op hebben we het over ingevulde werelden [|-0]. Spijkers in muren, uit muren. Op die wereld geef ik de zijnden, apriorie (voor dat ik het weet) heb ik die zijnden al op die wereld vrijgegeven en ik doe dat telkens opnieuw en zo laat ik ze hun zin hebben. Ik laat ze hun zijn zijnde zijn. En alles is ingevuld in die wereld. Hoe kan die wereld ingevuld zijn, als ie ingevuld is met die objecten. De zijnden, de ter hande staande zijnden, worden vrijgegeven op een ingevulde wereld, maar die wereld is niet de wereld van de zijnden! Die terhande staande dingen zijn vastgemaakt aan, in de context van die wereld en kunnen daar niet van losgemaakt worden. Dasein het zijnde vrijgeeft op zijn wereld. De wereld geeft het zijnde aan het dasein vrij, de wereld laat zijnden hun betekenis hebben voor de mens. Het gaat twee kanten op. Wie is er begonnen? Deze vraag verwerpt heidegger. Dit is juist typerend voor het in de wereld zijn! Die mens leeft in betekenisgehelen, kan niet los van elkaar, en daar tussen in zijn al die zijnden die in die betekenisgehelen hun zin krijgen. Dit is de grondzaak. Terminilogie. De hamer verwijst naar de hamer van het timmeren, verwijzingengeheel. Associatie geheel. Alles met elkaar geassocieerd. Tweede stap. 3e nummertje. Het geheel van betrekkingen. Die de wereld van het timmeren de tot wereld van het timmeren maken. Waarop je de hamer op heb vrijgegeven. Dat gaat uiteindelijk terug op een waartoe. Waartoe in betrekking bestaande niet meer aan de orde is. het zijn van zijnde waar het gaat om het indewereldzijn. Waartoe is simpel. Alle dingen die ter handen staan kan ik zeggen: waartoe dient dit? Al deze complexe gehelen van waartoe, gaat terug op een waartoe dat zelf niet meer op die manier geassocieerd met wat dan ook. Primair waartoe. Het omwille waarvan. Het uiteindelijke waartoe. Dit waartoe is enkelvoud. Andere: complex gedifferentieerd. Wat is dit? Gekoppeld aan dasein zelf. Eerst: dingen, dingen in werelden, dient tot dat ik kan leven hier in deze fysische omgeving, en uiteindelijk gaat dit terug op dasein. Dat zijnde dat het in zijn zijn wezenlijk om zijn zijn zelf gaat. Niet concreet. Zo groot als het is, zo oningevuld is het ook. Het primarie waartoe. Dat wat open is kun je niet differentiren. (toekomst) dus een waartoe. Probleem. Een mens dat zijn leven leidt op ingevulde manieren. Omgaan met terhande staande dingen. Er voor zorgen dat. Waartoe dien dit uiteindelijk allemaal? Het omwille waarvan. Daarom! Sterk, nietszeggend. Geen inhoud. Moet de zaak afsluiten. Hier blijft de zaak open. Verdeeldheid in de mens. Open en ingevuld. Leven ingevuld leven en je leven niet ingevuld leven. Hoe kan dit een geheel vormen. Die mens is aan de ene kant een wezen dat zijn leven zinvol leeft. Zin van zijn. de zin van de mens is dat ie een vrij wezen is. terwijl ie al in alles ingevuld en wel leeft. Hoe kan die mens niettemin een vrij en open wezen zijn? tweed deel van het boek oplossing. Verleden: ingevuld, toekomst: open. En de verbinding? Heden. Gehelen van waartoes aan de ene kant, en aan de andere kant een primair waartoe. Maar hoe

gaat dat meestal? Alledaags? Diagnose: primaire waartoe, terwijl het primair is, secondair is. Het leven in de context van betekenisgehelen is de facto primair. De mens heeft zich meestal verloren in betekenisgehelen. Ze hebben het druk, ze hebben geen tijd om vrij te zijn. Geabsorbeerd door al die dingen dat wat moet. Dubbel wezen: praktisch, maar als praktisch wezen aangewezen tot een primair waartoe. Het vervallen, of nietzscheaans decadent. Hij functioneert in de context van die betekenisgehelen. In eerste instantie gaat het zo. Die mens verkwanselt zijn oorspronkelijkheid. Het vervallen zijn. decadent nietzsche. De mens vergeet oorspronkelijk te zijn. Dit is opgevat als cultuurkritiek. En uiteindelijk aan zichzelf voorbij leven. Niet uitgummen. Die moet je precies localiseren. Eerst punt bestaat de mens sowieso als deze twee. In dat vervallen is het niet zo dat het ontologische helemaal verdwijnt. Toch al die zijnde die ter hand staan zijn in de context van al die concrete betekenisgehele vrijgeeft op die betekenisgehelen. Transcendentie. zijnsverstaan Daar is al ontologie. Maar alleen in concrete contexten. Maar op het specifiek menselijk punt, het geheel vastmaken in/aan het primaire waartoe. Dat is het bij uitstek menselijke. Is niet een vrijgeven op werelden, maar een vrij zijn voor het primarie waartoe. Vrijheid. Volgende stap, als ie decadent leeft. Verkwanselt vrijheid. Hoe komt ie weer terug van oneigenlijk naar eigenlijk. Hoe werkt dit. Hoe verhoud zich dit tot elkaar. Hoe komen ze bij elkaar. Hoe vormt het een eenheid. Kierkegaard: synthese (geheel van twee polen) probleem is verwant. Lichaam (ingevuld) en ziel (openheid) in eerste instantie uitelkaar gevallen. Hoe alsnog tot stand. Meestal vervallenheid en dan de weg terug naar eenheid. Die eenheid is tussen primaire waartoe en alle betekenis gehelen. Maar ook dat de betekenis gehelen pas betekenis krijgen in een primair waartoe. Oplossing is de tijdstheorie. De angst. Heidegger introduceert een fenomeen. De stemming. Specifiek fenomeen. Haalt ie op het toneel. Hij zegt niet van te voren waarom. Maar dan merk je ah hij gaat iets doen met fenomeen met de probleemstelling dat ie had. Menselijk bestaan moet getypeerd worden door angst. Specifieke angst, niet angst voor gevaarlijke kerel of een beer. Maar angst voor niets. Als die mij op het hart slaat. Die confronteerd mij met het feit dat mijn leven gebaseerd is op niets. Confronteert mij met mijn openheid. Gebeurt op een onbewaakt moment. Niet geabsorbeerd. Maar waartoe dient het allemaal? Dan kan het vat om me krijgen, en schrik ik. En waarvoor? Even wordt ik een open wezen. Een cognitief fenomeen, het doet me iets kennen. Niets, de openheid, het dient nergens toe maar in positieve zin. niet tot dit of dat. Deze angst is zuiver individuele aangelegenheid. Uitgaande van het feit dat ik vervallen was tot betekenis gehelen. En het men definieert dat. In de mate waardoor ik dat laat gebeurern verlies ik mijn individualiteit. Die angst maakt mij los en verenkeld mij. En geeft mij individualiteit terug en oorspronkelijkheid of vrij zijn is een individuele zaak. Wat ie doet in zijn boek, het scharnier, of de wending, dat ik weer loskom van het

vervallen zijn in werelden. Dat ik de wending maak van het vervallen zijn tot weer terug mijn vrij zijn voor primair waartoe , die wending wordt komt tot stand dankzij de angst. Hoort als fenomeen bij het menselijke bestaan. Daar komt op het nippertje tot uitdrukking dat ik als mens toch getypeerd ben als wezen dat ook vrij is voor het primair waartoe. Het hoort tot het structuurgeheel dat het dasein is, het is verwaarloosd, maar niet weg. En op een ogenblik steekt het de kop op, en maakt het mij weer tot individu en mogelijkerwijs tot een vrij mens. Niet te vroeg juichen. Alleen maar bereikt dat opnieuw de probleemstelling gereactualiseerd is. maar terug is de relatie tot het primair waartoe. Want hoe vormt dit nu een eenheid. Ik had daar helemaal geen last van hiervoor. Het is nite de oplossing, maar de redding van de verwaarloosde kant. volgende stap is dat het alsnog komt tot een eenheid. Tot het ingevulde en niet ingevulde. Eigenlijkheid en oneigenlijkheid als mogelijkheden. Het komt weer terug. Wat gaat dasein nu doen? Nu kan ie als nog zeggen: mij niet gezien. Openheid zegt niet wat ik moet doen. Als je door openheid geabsorbeerd zou raken ben je nergens meer, letterlijk. We kunnen alleen maar in concreto leven. Alle reden om geconfronteerd met openheid om meteen te zeggen mij niet gezien. Hier toont zich E en O, maar niet gezegd wat dasein gaat doen. Maar wat kan je doen met openheid, hoe kan dat vruchtbaar worden? Concreet worden? Groot probleem. De vraag is hoe kan het nu de eenheid van openheid en ingevuldheid leven en als het dat niet kan dan lijkt het veroordeeld te zijn tot een van beide. Nieuwe portie jargon. Extitentialiteit en facticiteit. Eerste is open tweede is concreet. En vervallen zijn is een modus van de relatie: exitentialiteit delft het onderspit ten opzichte van facticiteit. Maar het moet andersom, de niet decadente, niet vervallen, gezonde toestand. Dynamiek in vervallne staat en in niet vervallenstaat. Het leven gaat heen en weer. Maar telkens terugkeren uit vervallenheid waarin ie telkens vervalt. Daarnaast nog een term: vrij zijn voor het oereigen kunnen zijn, mogelijkheid. Enkelvoud, primair waartoe. Mogelijkheid weegt zwaarder dan realiteit. Ideale voor reeele. Openheid moet primaat krijgen. Vrij zijn voor. Jezelf laten transcenderen op dat primaire waartoe. Stap verder. Het erzijn, werkt altijd al overzichzelf heen, niet in die zin dat het zich tot een ander zijnde verhoud, maar als zijn in betrekking met het kunnen zijn dat het zelf is. Deze zijnsstructuur die voor het dasein wezenlijk is. het omwille waarvan. Het zichzelf vooruitzijn van het erzijn. Je mag als je geconfronteerd wordt met een mens, : de mens is meer dan je kunt objectiveren of vangen. Zichzelf vooruit zijn. alleen zichzelf vooruit zijn, in het in al in de wereld zijn. zichzelf vooruit in het al in een wereld zijn. nog een term. De formeel existentiale heelheid van het ontologische structuur geheel van het erzijn moeten we dus in de volgende structuur uitdrukken: het zijn van het erzijn houd in: het zichzelf vooruit zijn - al in de wereld zijn - als zijn bij het binnen de wereld tegemoet tredende. En zijn bij is

de uitdrukking van het vervallen zijn tot. Het is vervallen tot die dingen als vrijgegeven tot betekenisgehelen. Exitentialiteit-indewereldzijn-vervallenzijn Hoe kan het eigenlijk zelfzijn tot stand komen. Hoe kan ie worden wat ie sowieso is, maar waar ie van weg is. het eigenlijke zelf zijn berust niet in een uitzonderingstoestand waarin je je hebt losmaken van het men, het losmaken van de betekenisgehelen ingevuld van het men. Het is een exitientiele modificatie van het men! De mensen die een beslissende rol spelen in het definieren van de betekenis gehelen, daar keer ik me niet van af! Want als ik dat in de steek laat, houd ik alleen het niets over. Ik moet trouw zijn aan het ingevulde. Als ik oorspronkelijk wil zijn moet ik een existentile modificatie van het ingevulde bewerkstelligen. Een plek waar een transformatie tot stand komt. Daar komt mijn oorspronkelijkheid tot stand! De angst individualiseert mij. Maar als ik alleen op deze manier indidviu ben ben ik lucht. Mijn individualiteit wordt concreet door mij op een of ander manier toe te eigenen of door een transformatie te laten plaatsvinden van het leven dat ik met andere mensen deel. Het is een modificatie van het gedeelde leven. Hoe deze modificatie tot stand komt zien we nog niets. Alleen het vervallen bestaan hebben we. We hebben wel de optie. Gendividualiseerd dasein. Maar hoe dat concreet kan worden weten we niet. Deze probleemstelling blijft het eerste deels teken. De ingevuldheid lijkt aan het andere ten koste te gaan en vice versa. Oplossing komt in het derde hoofdstuk van het tweede boek. Bipolariteit en hoe kan dit een geheel vormen. Er zit iets aantrekkelijk in die angst. Daarom kun je hem willen trotseren. Ik treed naar voren dat niets binnen. Ik trotseer de angst in plaats van weg te keren, en dat doe ik om dat er iets positiefs aan zit. Wat staat er op het spel? Mijn vrijheid. Als ik niet bereid zou zijn me niet achter de comfortabele werelden te verschuilen zou ik geen vrij mens zijn. Ik ben dit of dat, ik ben een reiziger. Ik ben op al die werelden al vooruit. Ik verkeer altijd al in het niets. Als ik inderdaad een vrij mens ben ben ik bereid daar in te treden. De volgende stap die heidegger hier zet. 62. Gaat het over exitentieel eigenlijk heel kunnen zijn van het erzijn als vooruitlopende vastbeslotenheid. Naar voor treden. De vastbeslotenheid heeft niet enkel een samenhang met het vooruitlopen, als iets anders dan zichzelf, maar zij herbergt het eigenlijke zijn ten dode, als de mogelijke exitentiele modaliteit van haar eigen eigenlijkheid. Het komt erop aan die samenhang fenomenaal te duiden.

Het zijn ten dode, of het zijn ten einde. Wat is het einde. Als ik naar voren treed in dat niets, in het niet ingevulde waartoe, of mogelijke, oningevulde mogelijkheid, vrije mens, niet realiteit maar mogelijkeid. Als ik daar intreed is mijn realiteit ten einde. Mogelijkheid is prioriteit ten opzichte van realiteit. Ik ben er aan voorbij, ik kan me er niet achter verschuilen. In die zin is het ten einde. Ik kan me niet meer verschuilen achter dit of dat. Onveiligheid. Angst. Andere kant is dit precies de vrijheid om nergens mee samen te vallen. Alles staat in het

teken van zijn einde. Er niet aan vast zitten, vrijheid. Het staat al in het teken van zijn einde. Als het hier bij zou blijven, bij het de mogelijkheid toe treden. Want mogelijkheid berhaupt valt niets aan te realiseren. Het is een onmoglijke mogelijkheid. Concrete mogelijkheden kan ik realiseren. Maar mogelijkheid berhaupt niet. Iemand die alleen deze stap zet is ten dode opgeschreven. Dit is pas de eerste stap in de constellatie. Wie a zegt moet b zeggen. Vrijheid kan degenereren tot vrijblijvendheid. Vastbeslotenheid houdt in zich naar voren laten roepen en oog in oog laten brengen met het oereigen schuldig zijn, het schuldig zijn behoort tot het zijn van het erzijn zelf dat we primari als kunnen zijn hebben bepaald. Dat het erzijn blijvend schuldig is kan alleen betekenen dat het zich in dit zijn handhaaft om daarin telkens eigenlijk dan wel oneigelijk te existentieren. Het schuldig zijn zijn is geen blijvende eigenschap van een bestendig voorhande zijnde, maar het is alleen een exitentiele mogelijkheid om eigenlijk dan wel oneigenlijk schuldig te kunnen zijn. het schuldig is telkens alleen in het betreffende factische kunnen zijn. De schuld van dasein hoe die zich ook went of keert. Kunnen zijn noemt ie. Mogelijkheid, primaire waartoe. Niet ingevuld. Maar je was toch die en die mens, en dat valt niet weg. Tegenover dat kunnen zijn. mogelijkheid berhaupt. Allesomvattend. Daar komt nu het ingevulde leven tegenover te staan. Het is een probleem. Het is schamel. Beperkt. Eindig wezen. Problematisch het beantwoordt niet aan kunnen zijn. het beantwoord niet aan, maw het is schuldig. Ik kan het er niet bij laten. Als ik vrij ben, kan ik niet fixeren op zo moet het leven zijn. het wordt schuld: nu is het voortaan mijn verantwoordelijkheid. Ik ben vrij, dus ik ben niet eenmaal zo. Het is alsnog mijn zaak, oftewel schuld. Het is niet retrospectief : wie heeft het gedaan? Hier is schuld prospectief: naar de toekomst gericht, neem het alsnog op je, je kunt niet zeggen ik heb hier niets mee te maken. Allesomvattend net als openheid. Niet omdat ik iets verkeerd heb gedaan. Schuld in de kielzog van de vrijheid. Belangrijke stap in het boek. Er moet nu iets gebeuren met die schuld. Primaire waartoe verbergt het goede. De mogelijkheid verbergt een moeten. Anders geen schuld. Er is ergens een maatstaf ten opzichte waarvan er schuld is. Nu hebben we op een ander manier de twee polen maar met normatief kader. Schuldig ten opzichte van mogelijkheid. In die schuldige facticiteit, schuilt iets wat correspondeert aan het ten einde komen, naar voren treden was een ten einde komen van mijn opgave in concrete levens. Ik identificeer me met openheid. Zijn ten dode. En aan de kant van schuldig zijn? als je einde hebt, heb je begin. Daar met dat schuldig zijn moet een begin gemoeid zijn. een soort logica die heidegger niet laat zien. Schuldig zijn, op een moelijk punt zijn aangekomen, schuldig zijn heeft alleen zin als er iets nieuws kan beginnen ter plaatse. Anders is het doem. Ik ben schuldig en ik kan niets. (geen boete doen) dit volgt na stap in moglijkheid berhaupt. Die wordt nu meegenomen in schuldig zijn. het betkenent dus dat de mogelijkheid een kans moet hebben in concreetheid in plaats van schuldige leven.

We gaan van naar voren treden, komen we bij schuld, dat betreft het ingevulde leven, daar ben ik schuldig aan, heb ik geen vrede mee, en nu moet ik terplaatste een wending nu verwachten of een vernieuwen, modificatie transformatie. Een modificatie van het ingevulde leven zoals het daar is en ik zal moeten kijken of ik die wending kan meemaken. Mogelijkhied, die krijgt nu in zicht een Concretisering van die mogelijkheid, ter plaatse van een ingevuld leven, dat ook die concretisering van die mogelijkheid nodig heeft, want het is schuldig aan dat leven. I (schuldig) -> D -> M (M concreet)

Recommended

View more >