Rabobank fun of functie verschuivingen in ruimtelijk koopgedrag

  • Published on
    30-Nov-2014

  • View
    616

  • Download
    1

Embed Size (px)

DESCRIPTION

Fun of functie. Dat is de titel van het recente Rabobank-rapport over de verschuiving in ruimtelijk koopgedrag. Als u het nog niet gelezen heeft, snel downloaden. De Rabobank legt in dit rapport de vinger op de zere plek. Ze hebben van alle niet-dagelijkse detailhandel in kernwinkelgebieden de omzet geanalyseerd en vastgesteld of deze gegenereerd wordt door consumenten uit het directe verzorgingsgebied (eigen gemeente) of dat het omzet van elders is (lees consumenten die van buiten de gemeente komen). En wat blijkt? Lees alles op http://www.retailactueel.com/index.php/2013/05/15/de-teloorgang-van-middelgrote-winkelgebieden/

Transcript

<ul><li> 1. Kennis en Economisch OnderzoekFun of functieVerschuivingen in ruimtelijk koopgedragMei 2013 </li> <li> 2. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 2InhoudsopgaveInleiding 3Detailhandel in zwaar weer 4Grote regionale verschillen 6Lokale verschillen verklaard 8Ter illustratie: Boxtel 11Fun of functie 13Conclusie 16Bijlage: KoopstromenMonitor 17Literatuur 18Colofon 19Kennis en Economisch Onderzoek staat ook op internet.Het adres is www.rabobank.com/economieAfsluitdatum: 8 mei 2013Auteur:Rogier AaldersR.Aalders@rn.rabobank.nl030 - 213 1393 </li> <li> 3. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 3InleidingDe marktomstandigheden voor de gevestigde detailhandel zijn er de afgelopenjaren niet beter op geworden. Als gevolg van de economische tegenwind, bezui-nigingen en het lage consumentenvertrouwen houden consumenten steedsvaker de hand op de knip. Daarbij komt dat steeds meer mensen hun productenonline kopen, wat ten koste gaat van de bestedingen bij de gevestigde detail-handel. Daarnaast hebben veel regios te maken met een veranderende bevol-kingssamenstelling. Nederland vergrijst en in een aantal perifere regios is alsprake van een krimpende bevolking. Dit resulteert in dalende verkoopcijfersvoor de gevestigde detailhandel en een toenemend aantal winkels dat zijndeuren moet sluiten. Door deze ontwikkelingen is het voor retailers, de vast-goedwereld en overheden nu extra belangrijk om te weten hoe consumentenzich bewegen, waar ze hun geld besteden en welke voorkeuren ze hebben.Rabobank is marktleider in het betalingsverkeer van bedrijven en particulieren.Dat biedt de mogelijkheid om met eigen, uniek datamateriaal inzicht te geven ineconomische relaties. Op basis van miljoenen pintransacties ontwikkeldeRabobank Nederland de KoopstromenMonitor1. Een uniek instrument dat inzichtbiedt in het ruimtelijk koopgedrag van Nederlandse consumenten. Uit de Koop-stromenMonitor blijkt dat de omzet van de detailhandel in veel winkelgebieden isgestegen, hoewel de detailhandel in Nederland als geheel te maken heeft meteen dalende omzet. Er zijn dus winnaars en verliezers. Deze special geeft verkla-ringen voor deze verschillen, veroorzaakt door veranderend ruimtelijk koop-gedrag van consumenten.1Privacy is hierbij gegarandeerd. Onder geen enkele voorwaarde zijn individueleklantgegevens herkenbaar of herleidbaar. </li> <li> 4. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 4Detailhandel in zwaar weerAls gevolg van veranderende marktomstandigheden verkeert de Nederlandsedetailhandel in zwaar weer. Figuur 1 illustreert dit aan de hand van de ont-wikkeling van de detailhandelsomzet sinds2000. De ontwikkeling loopt parallel aan deconjunctuur. De economische stagnatie aanhet begin van deze eeuw en de hoogcon-junctuur in de periode daarna zijn duidelijkzichtbaar. De keldering van de omzet sindshet uitbreken van de Grote Recessie springtechter het meest in het oog. Tussen 2008 en2012 is de totale omzet met maar liefst9 procent gedaald. De veranderende markt-omstandigheden zijn dan ook voor eenbelangrijk deel conjunctureel van aard. Alsgevolg van bezuinigingen, oplopende werk-loosheid, dalende huizenprijzen en het lageconsumentenvertrouwen dalen de binnen-landse bestedingen jaar op jaar, met alsgevolg dat veel winkels hun omzetvolume zien teruglopen (Legierse, Smid,2013). Dat de conjunctuur hierbij een grote rol speelt, verklaart ook dat dedalende omzet volledig voor rekening komt van de non-foodsector. Voedsel isimmers een eerste levensbehoefte en daardoor niet tot nauwelijks conjunc-tuurgevoelig. In de non-foodsector daalde het omzetvolume tussen 2008 en2012 zelfs met 15 procent.Naast de genoemde conjuncturele oorzaken speelt de groei van internet alsverkoopkanaal een grote rol bij de dalende omzet in de fysieke detailhandel. In2011 werd maar liefst 31 procent van alle aankopen via internet gedaan. In2009 was dit nog 23 procent (Blauw Research, 2011). De opmars van internetals verkoop-/aankoopkanaal geldt voor vrijwel alle producten, waardoor het degehele detailhandel raakt. Hoewel een deel van de internetaankopen gebeurt bijwinkels die hun producten zowel via een fysieke locatie als via internet verko-pen, betekent dit dat de behoefte aan fysieke winkelruimte afneemt. Deze ont-wikkeling is structureel van aard en zet de komende jaren naar verwachtingdoor.In delen van Nederland (Zeeland, Noordoost-Groningen en Zuid-Limburg) daaltde bevolkingsomvang, met een dalende detailhandelsomzet als gevolg. De totaleNederlandse bevolking groeit naar verwachting echter nog tot eind jaren dertig,dus op landelijke schaal heeft dit (nog) geen invloed op de totale detailhandels-omzet. De gemiddeld ouder wordende bevolking zorgt echter wel voor eenverandering in de consumentenvraag.Figuur 1: Ontwikkeling omzet detailhandel(volume, index: gemiddelde 2008=100)Bron: CBS808590951001058085909510010500 01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 12*Totaal Food Non-Food* Voorlopige cijfersindex indexSeizoensgecorrigeerd </li> <li> 5. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 5Detailhandel in zwaar weerDe conjuncturele en structurele ontwikkelingen in de markt zijn de oorzaak vande dalende omzet in de fysieke detailhandel. Veel detaillisten kunnen daardoorhet hoofd niet boven water houden, metfaillissementen en oplopende leegstand totgevolg. Sinds 2003 is de totale leegstaandeoppervlakte in de detailhandel gestegen van1,7 naar 3 miljoen vierkante meter in 2012,een groei van 75 procent. Hierdoor stond in2012 bijna 6,6 procent van de totale opper-vlakte leeg. In 2003 was dit nog 4,5 procent.De verschillen binnen Nederland zijn overi-gens groot. In Utrecht en Noord-Holland valtde leegstand mee, terwijl de provincies diekampen met bevolkingskrimp (Groningen,Zeeland en Limburg) een zeer hoge leegstandkennen. Wel zien we, op Drenthe na, in elkeprovincie een groei van de leegstand sinds2008.Figuur 2: Ontwikkeling leegstand als percentagevan de totale oppervlakteBron: CBS24681024681003 04 05 06 07 08 09 10 11 12Nederland Groningen ZeelandLimburg Utrecht Noord-Holland% % </li> <li> 6. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 6Grote regionale verschillenZoals blijkt uit figuur 2 zijn de verschillen tussen regios groot voor wat betreftde (ontwikkeling van de) leegstand. Dat geldt ook voor de ontwikkeling van deomzet. De KoopstromenMonitor2maakt hetmogelijk om de omzet van de detailhandel in2009 en 2011 met elkaar te vergelijken.Daaruit blijkt dat de omzet in de niet-dage-lijkse detailhandel in Nederland in die periodemet 3 procent is gedaald. Maar, zoals gezegd,de regionale verschillen zijn groot. In Zeelanddaalde de omzet met maar liefst 10 procent,terwijl de krimp in Overijssel, Flevoland enNoord-Brabant onder de 1 procent bleef.Opvallend is de groei van de omzet inGroningen. Deze steeg hier met 3 procent.Figuur 3 toont de ontwikkeling van de omzetvoor alle provincies in combinatie met degemiddelde vloerproductiviteit in de niet-dagelijkse detailhandel in 2011. De vloerproductiviteit is gelijk aan de omzet pervierkante meter en geeft een goede indruk van de prestatie van de detail-handel, in dit geval van de niet-dagelijkse sector. Voor beleidsmakers is devloerproductiviteit een belangrijke maatstaf, aangezien op basis daarvan ondermeer wordt besloten of uitbreiding van het aanbod wenselijk is. De omvang vande bollen in de figuur staat voor de totale winkelvloeroppervlakte van het niet-dagelijkse aanbod (de bol van Nederland staat voor het gemiddelde van alleprovincies).De combinatie tussen omzetontwikkeling en vloerproductiviteit is belangrijkomdat de vloerproductiviteit de omzetontwikkeling in perspectief zet. Zo zien weweliswaar een daling van de omzet in de drie Randstedelijke provincies, maargezien de relatief hoge vloerproductiviteit zijn de gevolgen daarvan te overzien.De detailhandel in Groningen zag haar omzet weliswaar stijgen, maar kent nogsteeds een relatief lage vloerproductiviteit. De situatie in de provincies met eendalende omzet en een lage vloerproductiviteit is zorgelijk. Dat verklaart ook dezeer hoge leegstand in Zeeland en Limburg. In Gelderland, Friesland en Drenthevalt de leegstand in landelijk perspectief nog mee, maar gegeven het beeld vanfiguur 3 kunnen die provincies een stijging van de leegstand verwachten.2Zie de bijlage voor een uitleg over de KoopstromenMonitor.Figuur 3: Omzetontwikkeling en vloerproductivi-teit niet-dagelijksBron: Rabobank120014001600180020002200-15 -10 -5 0 5Vloerproductiviteitniet-dagelijks2011Omzetontwikkeling niet-dagelijks 2009-2011NederlandLimburgOverijsselNoord-BrabantGroningenFrieslandDrentheZeelandGelderlandFlevolandUtrechtNoord-HollandZuid-HollandEuro% </li> <li> 7. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 7Grote regionale verschillenHoewel de detailhandel in Nederland als geheel het zwaar heeft, toon figuur 3dat de verschillen tussen provincies groot zijn. Ook op regionaal niveau zien wegrote verschillen als het gaat om de vloerproductiviteit (zie kaart 1). De lande-lijke vloerproductiviteit in de niet-dagelijkse branches ligt op 1.681 per vier-kante meter (Rabobank, 2013). De blauwe regios in de kaart hebben eenbovengemiddelde, de oranje een ondergemiddelde vloerproductiviteit. Zoalseerder bleek, is de vloerproductiviteit relatief hoog in de Randstad, vooral in deregios rondom Den Haag, Amsterdam en Haarlem. Delfzijl en omgeving vormteen positieve uitschieter in de periferie, waar de bevolking en de winkelvloer-oppervlakte sinds 2003 zijn gekrompen, maar de zittende detailhandel blijkbaargoed presteert.Op lokaal niveau zijn die verschillen in vloerproductiviteit nog veel groter. Ook deontwikkeling van de omzet tussen 2009 en 2011 varieert sterk per gemeente.Ondanks de veranderende (lees: verslechterende) marktomstandigheden kun-nen we spreken van winnaars en verliezers. Het lokale niveau is een belangrijkegeografische schaal voor analyse. Beleidsbeslissingen ten aanzien van uitbrei-ding van het detailhandelsaanbod worden namelijk vooral op lokaal niveaugenomen. Bovendien maken consumenten hun keuze om ergens te winkelen opzeer lokaal niveau. Men gaat niet winkelen in Noord-Holland, men gaat winkelenin Amsterdam of, sterker nog, in de Kalverstraat.De grote verschillen in omzetontwikkeling tussen gemeenten blijken uit figuur 4,waarin het aantal gemeenten per klasse van de omzetontwikkeling is weerge-geven3. In 252 van de weergegeven gemeenten is de omzet gedaald, maar 135zagen de omzet tussen 2009 en 2011 juist toenemen.3Vanwege het aantal waarnemingen is het niet mogelijk om de omzetontwikkeling vooralle gemeenten weer te geven.Kaart 1: Regionale verschillen invloerproductiviteit (2011)Figuur 4: Aantal gemeenten per klasse omzet-ontwikkelingBron: Rabobank Bron: Rabobank2683143873711020406080100120140160020406080100120140160-20% tot-30%-10% tot-20%0% tot -10%0% tot10%10% tot20%20% tot30%Omzetontwikkeling 2009-2011-20% -10% 0% 10% 20%aantal aantal </li> <li> 8. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 8Lokale verschillen verklaardHet zware weer in de Nederlandse detailhandel kan goed worden verklaard doorde veranderende marktomstandigheden. Op lokaal niveau vormen de markt-omstandigheden echter geen verklaring voor de verschillen in de ontwikkelingvan de omzet. We zien namelijk ook winnaars in regios met sterk dalendehuizenprijzen, hoge werkloosheid en/of demografische krimp. Ter illustratie toontfiguur 5 de relatie tussen de omzetontwikkeling en de bevolkingsontwikkeling inde Nederlandse gemeenten. De figuur laat zien dat gemeenten ondanks eenkrimpende bevolking een stijgende omzet in de niet-dagelijkse detailhandelkennen (rechtsonder). Het omgekeerde geldt ook (linksboven).Ook het online koopgedrag blijkt geen verklaring te zijn voor deomzetontwikkeling van de niet-dagelijkse detailhandel op lokaal niveau. Onlinewinkelen neemt niet toe met de afstand tot fysieke winkelvoorzieningen, zoalsmen wellicht wel zou verwachten. Sterker nog, het omgekeerde is het geval. Inlandelijke gemeenten wordt minder via internet gekocht dan in stedelijkegemeenten. De reden hiervoor is dat online koopgedrag vooral afhangt van hettype consument. Vooral jongeren, en daarbinnen vooral alleenstaanden, kopenveel online en het aandeel van jonge alleenstaanden is het grootst in destedelijke gebieden. De meest perifere gebieden in Nederland, zoals deWaddeneilanden, vormen hierop een uitzondering. In die gebieden is het belangvan het online verkoopkanaal relatief groot, waarvan we mogen veronderstellendat de afstand tot de fysieke detailhandel wel degelijk een rol speelt (Smeltink,2012).De mate waarin consumenten hun aankopen via internet doen, is dus nietbepalend voor de omzetontwikkeling in gemeenten. Hiervoor vergelijken we hetbelang van IDeal-betalingen in de totale bestedingen met de ontwikkeling vande omzet in de niet-dagelijkse detailhandel (figuur 6). Talloze gemeentenkennen een relatief groot belang van IDeal-betalingen, gepaard met een stijgingvan de detailhandelsomzet (en vice versa).Figuur 5: Relatie omzetontwikkeling en bevol-kingsontwikkeling Nederlandse gemeentenFiguur 6: Relatie omzetontwikkeling en belang vanIDeal-betalingen Nederlandse gemeentenBron: RabobankBron: Rabobank-20246810-30 -20 -10 0 10 20 30Bevolkingsgroei2009-2011Omzetontwikkeling niet-dagelijks 2009-2011%%1,01,52,02,53,03,5-30 -20 -10 0 10 20 30AandeelIDealintotalebestedingenOmzetontwikkeling niet-dagelijks 2009-2011%% </li> <li> 9. mei 2013 Rabobank Kennis en Economisch Onderzoek 9Lokale verschillen verklaardDe genoemde landelijke en regionale marktontwikkelingen vormen dus geenverklaring voor de grote verschillen in lokale omzetontwikkelingen in de detail-handel. Om erachter te komen wat dezeverschillen wl verklaart, analyseren we deontwikkeling van de omzet in de niet-dage-lijkse detailhandel in de kernwinkelgebiedenvan alle gemeenten. De kernwinkelgebiedenzijn de postcodegebieden met de grootstewinkelvloeroppervlakte in de branchegroepmode en luxe...</li></ul>