Vereniging voor Gezondheidsrecht 12 April 1991

  • Published on
    25-Aug-2016

  • View
    215

  • Download
    1

Embed Size (px)

Transcript

<ul><li><p>ARTIKELEN</p><p>Vereniging voor Gezondheidsrecht 12 April 1991</p><p>Het Gezondheidsrecht anno 1991</p><p>Prof. Dr H.J.J. Leenen</p><p>Bij mijn afscheid als voorzitter van de vereniging wil ik</p><p>stilstaan bij de positie van het gezondheidsrecht en de</p><p>vraagstukken die het op dit moment onder ogen heeft te</p><p>zien. Die vraagstukken zijn overigens niet allemaal nieuw;</p><p>een aantal ervan kwam al eerder aan de orde.</p><p>Gezondheidsrecht aan de universiteiten</p><p>Dat geldt voor het eerste onderwerp dat ik wil noemen,</p><p>depositie van het gezondheidsrecht aan de Nederlandse</p><p>universiteiten. Sinds in 1970 aan de Universiteit van</p><p>Amsterdam het gezondheidsrecht voor het eerst in</p><p>een leeropdracht werd opgenomen, 1 is er aan de univer-</p><p>siteiten het nodige gebeurd. Toch meen ik dat dat onv-</p><p>oldoende is. De wetenschappelijke formatie die voor</p><p>een adequate wetenschapsbeoefening nodig is, is bij</p><p>de universiteiten niet aanwezig. In het onlangs versche-</p><p>nen rapport van de Commissie Gezondheids(zorg)weten-</p><p>schappen van deKoninklijke Nederlandse Academie van</p><p>Wetenschappen wordt die formatie volstrekt onvol-</p><p>doende genoemd. Ik hoop dat de medische en juridische</p><p>faculteiten nu eindelijk eens gaan inzien dat hier maat-</p><p>regelen moeten worden getroffen. Ik denk bij weten-</p><p>schappelijke formatie niet aan grote instituten maar aan</p><p>enkele groepen van ongeveer vijf vaste wetenschappelijke</p><p>formatieplaatsen met de daarbij behorende administra-</p><p>tieve voorzieningen. Dergelijke groepen kunnen dan</p><p>derde geldstroomprojecten aantrekken. Nu vormen der-</p><p>gelijke projecten vaak een extra belasting voor een kleine</p><p>staf die veel ander werk te doen heeft. Dit nog afgezien</p><p>van problemen met betrekking tot de onafhankelijkheid</p><p>die ontstaan als de verhouding tussen vaste staf en derde</p><p>geldstroomprojecten scheef groeit.</p><p>Ondanks de beperkte mogelijkheden is het Neder-</p><p>landse universitaire onderzoek in het gezondheidsrecht</p><p>niettemin in het algemeen zeer produktief geweest,</p><p>maar dezeproduktiviteit kan niet worden volgehouden</p><p>bij de huidige capaciteit en de taken die moeten worden</p><p>vervuld. Internationaal waar Nederland lang een van</p><p>de koplopers van het gezondheidsrecht is geweest,</p><p>beginnen we achterstand op te lopen. Met name in de</p><p>USA en Canada wordt behoorlijk in het universitaire</p><p>gezondheidsrecht genvesteerd. Ook de rol die univer-</p><p>sitaire gezondheidsjuristen spelen bij de maatschappe-</p><p>lijke advisering, behoeft formatieve erkenning. Er</p><p>wordt op hen een groot beroep gedaan door de over-</p><p>heid, door adviesorganen, door beroepsbeoefenaren en</p><p>patienten en hun organisaties, door instellingen van</p><p>gezondheidszorg, terwijl ook in de juridische wereld</p><p>hun advies gezocht is.</p><p>Voorts meen ik dat het onderwijs in het gezondheids-</p><p>recht in de medische faculteiten, zowel in de basisoplei-</p><p>ding als tijdens de coschappen, uitbreiding verdient.</p><p>Wetenschap en beleid</p><p>Een volgend vraagstuk waarvoor ik de aandacht wil</p><p>vragen, is de verhouding tussen wetenschap en beleid.</p><p>Dat zijn twee onderscheiden sectoren die niet met elkaar</p><p>mogen worden verward. Beleid kan onderwerpen voor</p><p>de wetenschap genereren, maar de wetenschap moet</p><p>1 Eerder werd aan andere universiteiten binnen het vak socialegeneeskunde over gezondheidswetgeving college gegeven. In Nij-megen geschiedde dat in het kader van de leeropdracht nationaal eninternationaal gezondheidsbeleid door de Vreeze die in 1968 zijnoratie hield. Van de ontwikkeling van een apart vak gezondheids-recht is het daar toen niet gekomen.</p><p>Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (1991) 15:8185</p><p>DOI 10.1007/BF03055592</p><p>13</p></li><li><p>onafhankelijk van het beleid worden bedreven. Omdat</p><p>beleidsorganen belang hebben bij de uitkomsten van</p><p>wetenschap, bovendien vaak zelf wetenschappelijk</p><p>onderzoek uitvoeren of financieren, is die onafhankelijk-</p><p>heid soms niet aanwezig. Nog afgezien van vragen rond</p><p>de sturing van onderzoek via de geldmiddelen en vragen</p><p>rond de competentie van adviseurs en beoordelaars met</p><p>betrekking tot gezondheidsrechtelijk onderzoek, komt</p><p>het voor dat beleidsorganen de uitkomsten van weten-</p><p>schappelijke studie en onderzoek willen benvloeden. Zij</p><p>willen dat die uitkomsten het beleid ondersteunen of zelfs</p><p>de beleidsvisie verwoorden. Dat is een onjuiste vermen-</p><p>ging. In dat verband baart te grote afhankelijkheid van</p><p>het wetenschappelijk onderzoek in het gezondheidsrecht</p><p>van de derde geldstroom, waarover ik al sprak, zorgen.</p><p>Beleidskeuzen behoren na de studie en het onderzoek te</p><p>komen, waarbij uiteraard van uitkomsten van die laat-</p><p>sten kan worden afgeweken.</p><p>Generalisten en specialisten</p><p>Aandacht is voorts nodig voor het tekort aan algemeen</p><p>geschoolde gezondheidsjuristen. Daaraan is aan de uni-</p><p>versiteiten behoefte vanwege de samenhang in de bestu-</p><p>dering en uitdieping van het gezondheidsrecht en</p><p>vanwege de ontwikkeling van de wetenschappelijke sys-</p><p>tematiek en methodologie, maar ook in de praktijk van</p><p>de gezondheidszorg zijn dergelijke gezondheidsjuristen</p><p>bij overheid en veld van de gezondheidszorg nodig.</p><p>Voor een niet onbelangrijk deel zal de opleiding van</p><p>dergelijke gezondheidsjuristen aan de universiteitenmoe-</p><p>ten geschieden. Sinds ik in 1973 dit probleem in de ver-</p><p>gadering van de vereniging aan de orde stelde, is het</p><p>aantal algemeen geschoolde gezondheidsjuristen wel</p><p>enigszins toegenomen, maar de behoefte is aanmerkelijk</p><p>sterker gegroeid. Daardoor is het probleem groter</p><p>geworden.</p><p>Dit neemt niet weg dat voor de ontwikkeling van het</p><p>vak de bijdrage aan de literatuur van in de praktijk</p><p>werkzame gezondheidsjuristen die zich veelal met</p><p>bepaalde onderwerpen bezig houden, van groot belang</p><p>is. Gelukkig wordt die bijdrage in Nederland voldoende</p><p>gegeven. Voorts is het onvermijdelijk dat zich in een</p><p>vakgebied specialisaties, ook binnen het universitaire</p><p>verband, ontwikkelen en dat is binnen zekere grenzen</p><p>een normaal verschijnsel. Het gevaar echter dat elk</p><p>vakgebied bedreigt, is te ver doorgevoerde opsplitsing</p><p>en te grote concentratie op praktijk en detailproble-</p><p>men. In het gezondheidssrecht is dat anders dan in</p><p>sommige andere vakgebieden gelukkig nog nauwelijks</p><p>het geval.</p><p>Contact met de praktijk van de gezondheidszorg</p><p>De beoefening van het gezondheidsrecht vraagt om con-</p><p>tact met depraktijk van de gezondheidszorg. Goudsmit</p><p>heeft reeds in zijn Preadvies Volksgezondheid en Recht</p><p>voor het Nederlands Congres voor Openbare Gezond-</p><p>heidsregeling in 1954 er op gewezen dat beoefening van</p><p>het gezondheidsrecht kennis van de gezondheidszorg en</p><p>samenwerking met de daarin werkzame beroepsbeoefe-</p><p>naren vraagt. Zonder dat, zo stelde hij, zal de jurist beter</p><p>doen op andere wijze zijn kennen en kunnen aan de</p><p>samenleving dienstbaar te maken. Zou hij thans die</p><p>passage opnieuw moeten formuleren, dan zou Goudsmit</p><p>ongetwijfeld ook de patient hebben genoemd. Ik zou</p><p>voor het belang van contact met de praktijk van de</p><p>gezondheidszorg nog eens de aandacht willen vragen.</p><p>Niet dat ik van mening ben dat de praktijk normatief is</p><p>voor het gezondheidsrecht, maar een te gesoleerde beoe-</p><p>fening ervan loopt het gevaar de interactie met de werke-</p><p>lijkheid te verliezen en zich tezeer tot de schrijftafel te</p><p>beperken. Niet kan worden ontkend dat er somsp-</p><p>ublicaties verschijnen waaruit gebrek aan kennis van</p><p>de gezondheidszorg blijkt. In het universitaire gezon-</p><p>dheidsrecht wordt het contact met de praktijk voor</p><p>een belangrijk deel onderhouder. via maatschappelijke</p><p>dienstverlening, een van de redenen voor de hiervoor</p><p>bepleite formatieve erkenning van deze taak.Maatschap-</p><p>pelijke dienstverlening is voor de wetenschappelijk werk-</p><p>zame gezondheidsjurist wat het laboratorium of kliniek</p><p>zijn voor de medische wetenschapper. Onder die dienst-</p><p>verlening versta ik ook advisering over gezondheidsrech-</p><p>telijke problemen in de kliniek en bij de patientenzorg. In</p><p>Amsterdam hebben wij daarmee goede ervaringen opge-</p><p>daan. Ik meen dat de klinische functie van het gezond-</p><p>heidsrecht te weinig aandacht krijgt en verdere</p><p>ontwikkeling behoeft.</p><p>Eenheid in verscheidenheid; kwaliteit</p><p>Voor de ontwikkeling van een vak zijn zowel eenheid als</p><p>verscheidenheid van probleembenadering nodig. Zonder</p><p>een gemeenschappelijke basis kan een vak wetenschap-</p><p>pelijk en professioneel niet tot groei komen. Als het bij-</p><p>voorbeeld in een louter positiefrechtelijke en een op</p><p>beginselen georienteerde benadering uiteen zou vallen,</p><p>zou de gemeenschappelijke basis smal zijn geworden. In</p><p>mijn opvatting kan fundering op beginselen in het</p><p>gezondheidsrecht niet worden gemist maar moet ook de</p><p>positiefrechtelijke analyse worden gehanteerd.</p><p>Zelf heb ik in mijn publicaties geprobeerd die beide</p><p>benaderingen te verbinden zowel bij de bestudering van</p><p>82 Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (1991) 15:8185</p><p>13</p></li><li><p>het geldend recht als bij het ontwikkelen van voorstellen</p><p>voor wenselijk recht.</p><p>Is een gemeenschappelijke basis van belang, ook ver-</p><p>scheidenheid is nodig. Verschillen brengen een vak ver-</p><p>der mits zij in dialoog met elkaar staan; zij hebben voor</p><p>een vak pas rendement als zij voorwerp van een echte</p><p>discussie vormen. Ook in die zin is eenheid in de professie</p><p>van fundamentele betekenis. Eenheid en verscheidenheid</p><p>bestaan naar mijn mening in het gezondheidsrecht op</p><p>adequate wijze. Ik hoop dat dit zo blijft. Door uiteen te</p><p>vallen in elkaar niet verdragende scholen zou gezond-</p><p>heidsrecht wetenschappelijk, maar ook maatschappelijk</p><p>aan kracht inboeten.</p><p>De dialoog binnen de professie heeft nog een andere</p><p>functie, namelijk ten aanzien van de kwaliteit. Een dia-</p><p>logerendeprofessie genereert een wetenschappelijk forum</p><p>gericht op verhoging van kwaliteit. Die kwaliteit is in het</p><p>gezondheidsrecht op drie terreinen aan de orde, namelijk</p><p>de wetenschap, het onderwijs en de praktijk. Een vak dat</p><p>de kwaliteit van studie en onderzoek niet bevordert en</p><p>bewaakt, roept zijn ondergang over zich af. Treft men</p><p>daarvoor in eigen kring niet voldoende voorzieningen,</p><p>dan zal de beoordeling door anderen worden overgeno-</p><p>men. Naar mijn oordeel is aan de kwaliteit van gezond-</p><p>heidsrechtelijke studie en onderzoek nog het nodige te</p><p>doen. De kwaliteit van het onderwijs in het gezondheids-</p><p>recht niet alleen aan de universiteiten, maar ook in de</p><p>opleiding voor andere beroepen in de gezondheidszorg </p><p>moet de docenten een voortdurende opgave zijn. Ook</p><p>voor de praktijk en de praktijkadvisering gelden kwali-</p><p>teitseisen. Ik meen dat aan die kwaliteit nog wel wat</p><p>ontbreekt.</p><p>Gezondheidsrecht en ethiek</p><p>Aan verschillen van inzicht kunnen naast de hiervoor</p><p>genoemde ook ethische verschillen ten grondslag liggen.</p><p>Het is gewenst die in de discussie te expliciteren en voorts</p><p>het onderscheid tussen recht en ethiek in het oog te</p><p>houden. De ethiek is niet zonder meer doorslaggevend</p><p>in een gezondheidsrechtelijke discussie. Ten aanzien van</p><p>fundamentele beschouwingen over waarden en normen</p><p>overlappen ethiek en recht elkaar, maar het gezondheids-</p><p>recht bestrijkt een breder terrein en moet ook wettelijke</p><p>en andere juridische regelingen (zowel nationaal als inter-</p><p>nationaal), omschreven rechten en plichten, contractuele</p><p>en andere rechtsverhoudingen, procedurele regelingen en</p><p>jurisprudentie in de beschouwingen betrekken. De ethiek</p><p>gaat daar veelal aan voorbij. Bovendien is er een verschil</p><p>tussen ethische normen en rechtsnormen. De laatste</p><p>komen veel meer binnen gemeenschapsinstituties en poli-</p><p>tieke organen tot stand en hebben een meer bindend</p><p>karakter. Men zou rechtsnormen, voor zover ze niet</p><p>enkel van ordenende aard zijn, in een democratisch</p><p>besluitvormingsproces aanvaarde ethische normen kun-</p><p>nen noemen. De ethische discours alleen, vaak bovendien</p><p>in beperkte kring gevoerd, is niet zonder meer maat-</p><p>schappelijk normatief, ook niet in de gezondheidszorg.</p><p>Zij kan, behoudens in uitzonderlijke gevallen, recht niet</p><p>opzij zetten. Ik heb de indruk dat er in de gezondheids-</p><p>zorg op dit punt soms wel enige verwarring bestaat.</p><p>Internationaal gezondheidsrecht</p><p>De toenemende verwevenheid van nationale en interna-</p><p>tionale stelsels die ook op het gebied van de gezondheids-</p><p>zorg zichtbaar is, opent voor het gezondheidsrecht een</p><p>nieuw en in belang toenemend veld. Heeft de internatio-</p><p>nale dimensie altijd in het gezondheidsrecht gespeeld,</p><p>nieuwe ontwikkelingen, met name in Europa, maken de</p><p>impact van internationale regelingen op de nationale</p><p>stelsels van gezondheidszorg en de positie van depatient</p><p>daarbinnen groter en dieper ingrijpend. Dit heeft een</p><p>aantal directe juridische gevolgen, maar ook indirect zal</p><p>de benvloeding vanuit het internationale vlak toenemen.</p><p>Ik denk daarbij aan ethische opvattingen die elders nog</p><p>wel eens conservatiever zijn dan hier te lande, aan een</p><p>geringere ethische tolerantie die in andere landen wel</p><p>voorkomt, aan andere attitudes van de medische profes-</p><p>sie en aan andere opvattingen over rechten van patienten</p><p>en over sociale rechtvaardigheid. Naarmate de interna-</p><p>tionale cooperatie op het gebied van de gezondheidszorg</p><p>intensiever wordt, zullen deze factoren naast de econo-</p><p>mie werking gaan uitoefenen op de beleidsvorming in</p><p>internationale organen en zo beleidsmatig gaan door-</p><p>werken naar het nationale niveau en op den duur wellicht</p><p>zelfs in de internationale regelgeving op het gebied van de</p><p>gezondheidszorg. Dit proces zal worden versterkt door-</p><p>dat beroepsgroepen, instellingen, actiegroepen en lobbies</p><p>zich meer internationaal zullen gaan organiseren. Voor</p><p>Nederland kunnen hier problemen gaan rijzen. Ik meen</p><p>dat we onvoldoende alert zijn op deze ontwikkelingen.</p><p>Een van de oorzaken is dat gezondheidsjuristen die op de</p><p>hoogte zijn van internationale regels en structuren enmet</p><p>name ook van de mechanismen die daar werken, uiter-</p><p>mate schaars zijn. Verder meen ik dat in Nederland de</p><p>deelname aan de internationale beleidscircuits in de</p><p>gezondheidszorg teveel in ambtelijke handen is en de</p><p>informatie te weinig terecht komt in de gezondheidszorg.</p><p>De doorwerking van internationale regels kan ook</p><p>positieve gevolgen hebben. Ik denk hierbij met name</p><p>aan het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rech-</p><p>ten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en in het</p><p>Tijdschrift voor Gezondheidsrecht (1991) 15:8185 83</p><p>13</p></li><li><p>bijzonder ook aan de jurisprudentie van de Europese</p><p>Commissie en het Europese Hof.</p><p>Rechten van de patient</p><p>De rechtvaardige verdeling van de beschikbare gezond-</p><p>heidszorg is een nog onopgelost vraagstuk. Omdat mijn</p><p>jaarrede van het vorige jaar daarover handelde, ga ik op</p><p>dit onderwerp nu niet in. Maar hier ligt wel een gigan-</p><p>tischprobleem dat van het gezondheidsrecht de nodige</p><p>inspanning vraagt.</p><p>Ook aan de rechten van de patient zullen we aandacht</p><p>moeten blijven besteden. Deze rechten zijn in de afgelo-</p><p>pen vijfentwintig jaren juridisch goed onderbouwd en</p><p>uitgewerkt. Alleen de wetgever laat het op een niet te</p><p>excuseren wijze afweten. Voor dergelijke wetgeving</p><p>bestaan vele argumenten en het dereguleringsargument</p><p>is hier naar mijn mening niet valide. Er is op het gebied</p><p>van de patientenrechten nog steeds nauwelijks iets gere-</p><p>geld. In de gezondheidszorg is met name het aanbod</p><p>sterk gereguleerd. Daar kan met heel wat minder wetge-</p><p>ving worden volstaan. Trouwens in het algemeen gelden</p><p>de argumenten voor zuinigheid met wetgeving vooral</p><p>voor het bestuursrecht en dan nog...</p></li></ul>

Recommended

View more >